(Samenvatting van de voordrachten op 26 oktober en 14 november 2025)
De Warmoesstraat ontstond zo rond 1260 als een dijk langs de Amstel, toen daar tegen overstromingen een dam in was gelegd, aan de andere over kwam de Nieuwendijk. Schepen konden toen niet meer doorvaren naar hun thuishaven in Ouderkerk en bij de Nieuwendijk ontstond een drukke heven. De Warmoesstraat werd het domein van de kooplieden. Eeuwenlang was dat de chiquste straat van de stad, met de duurste huizen en de duurste winkels. Handelaren sloegen er hun goederen op, uit binnen- en uit buitenland, om die voor goed geld weer door te verkopen. Al voor 1400 woonden hier puissant rijke Amsterdammers. Uit deze groep kwamen ook de leden van het stadsbestuur; immers, als je dat kan bereiken, ben je ook capabel om een stad te besturen.
Uit ruimtegebrek gingen de inwoners ook huizen bouwen aan de waterkant van de dijken. Je woonde dan letterlijk "Op 't Water", wat vroeger dan ook de straatnaam van het Damrak was. Achter de huizen aan de Nieuwendijk kwam in 1525 een kade, maar bij de Warmoesstraat gebeurde dat niet. De achtergevels stonden daar direct aan het water, goederen konden zo rechtstreeks vanaf het water de pakzolders in worden gehesen. Bij enkele stegen kwamen daar steigers, terwijl de bruggen de plekken waren waar handelaren elkaar troffen, waar ze schippers vonden, werklui en anderen. Dat was niet ideaal; de stad bouwde daarom in 1611 een beurs aan de Dam, boven het water van het Rokin. Het werd het economische hart van de stad. Wie ook maar iets te betekenen had, was er dagelijks te vinden.
Woonden de rijkste inwoners in de Warmoesstraat, daar waren ook de winkels en bedrijven die hen en hun huizen voorzagen van alles wat nodig was, vooral luxe goederen. Ook om te verhandelen. Je kon er dure stoffen kopen als zijde en damast; messen, want geen man ging in die tijd de deur uit zonder een goed mes op zak; hoeden, blootshoofds begaf je je toen niet over straat; en er zaten veel goudsmeden. Maar opvallend is het grote aantal bontwerkers. Dat geeft aan dat mensen het vroeger vaak koud hadden: een simpel haardvuur stookt een huis niet warm, maar wie zich een bontgevoerde tabberd kon veroorloven, leed geen kou. Op het latere nr 177 - nu onderdeel van Krasnapolsky - was in de 16e eeuw de werkplaats van de schilder Dirck Jacobsz, die inwoners van de stad zo mooi vereeuwigde in zijn schuttersstukken. Zijn vrouw Marie Gerrits dreef er een winkel in zilverbrokaat, wat haar de bijnaam Zilveren Marietje bezorgde. Bij de Oude Kerk zaten kunstschilders als Pieter Aertsz, die een prachtig altaarstuk maakte voor de gloednieuwe Mariakapel uit 1555, met die mooie ramen. Maar zo'n tien jaar later zag hij dat bij de beeldenstorm voor zijn ogen vernietigd worden. Een eeuw later dreef op nr 117 de zuster van Joost van den Vondel een zijdewinkel, en ook de dichter zelf woonde in de Warmoesstraat; al weten we niet precies waar.
Na de aanleg van de grachtengordel werd die ook een gezochte woonlocatie. De grond aan de Heren- en de Keizersgracht was echter veel te duur voor winkels; die bleven in de Warmoesstraat (niet de kunstenaars). Daar kregen de eerste in het begin van de 19e eeuw gaslicht, zodat klanten hun producten goed konden zien. Dat ging nog beter toen er later in de eeuw grotere stukken plat glas konden worden gemaakt. Toen verdwenen die kleine ruitjes en kwamen er etalages. De clientèle nam nog toe, toen de beurs van bouwmeester Hendrick de Keyser wegens bouwvalligheid werd gesloopt, en er in 1845 aan de andere kant van de Dam een nieuwe kwam, nu boven het water van het Damrak. Tot ver in de eeuw zaten er in de Warmoesstraat talloze hofleveranciers. Ook de sigarenzaak van Hajenius bij de Dam. Zijn zaak moest in de jaren zestig echter wijken voor de aanleg van de Damstraat om het verkeer meer ruimte te geven. Hij heeft nog geprobeerd om niet alleen compensatie te krijgen voor zijn pand, maar ook voor de goodwill van deze toplocatie. Tot in hoogste instantie hebben ze geprocedeerd. Het was de eerste onteigeningsprocedure in de stad en de zaak werd door de inwoners op de voet gevolgd. Helaas, goodwill staat niet in de onteigeningswet, en Hajenius heeft dit dan ook verloren. Maar in tegenstelling tot veel andere winkels, heeft hij het wel tot vandaag de dag volgehouden, tegenwoordig op het Rokin, niet ver van de oude locatie. Net als koning Willem III kocht ook prins Bernard hier altijd zijn sigaren.
De nieuwe beurs voldeed niet erg en in de jaren tachtig rezen er plannen voor een nieuw gebouw. Een hele rij huizen aan de waterkant van de Warmoesstraat werd er voor afgebroken. De uitgeschreven prijsvraag was gewonnen door architect Berlage, met een prachtig, klassisistisch gebouw vol natuurstenen ornamenten en tierelantijnen. Toen het echter op bouwen aankwam - hij had inmiddels een studiereis naar Duitsland gemaakt - werd het een heel modern gebouw. Bijzonder is dat bouwelementen zoals baksteen, muurankers e.d. hier zichtbaar zijn en als het ware onderdeel vormen van de decoratie. Het kwam in 1903 gereed, waarna de beurs van Zocher werd afgebroken. Op die plek kwam de Bijenkorf (door Van Straaten). Tien jaar later werden nog eens 26 panden aan de waterzijde gesloopt voor een aparte Effectenbeurs, door architect Jos Cuypers, aan het Beursplein. Met het latere Cees Damcentrum en de uitbreiding van de Bijenkorf, is de levendigheid van de straat hier totaal verdwenen en heeft dit stuk een ongezellig, nogal doods aanzien gekregen.
Het was echter een andere ontwikkeling die het einde van de Warmoesstraat als winkelstraat inluidde. In het laatste kwart van de 19e eeuw kwamen rond het Vondelpark en in de Concertgebouwbuurt nieuwe wijken voor welgestelde inwoners. De route naar het centrum liep door de Leidse- en de Kalverstraat, en daar maakte het ene na het andere winkeltje, waar de koopwaar nog aan de luifels bungelde en ook op de stoep bonte uitstallingen waren, plaats voor etalagepanden. Vooral op de straathoeken kwamen chique magazijnen, op de plek van meerdere panden. Met als hoogtepunt Maison Hirs op het Leidseplein, waar de chique van Amsterdam - als die niet zelf naar Parijs kon gaan - de nieuwste mode uit die stad kon aanschaffen. [de Bonneterie tussen Kalverstraat en Rokin werd een goede tweede]. Door die ontwikkeling kwam de Warmoesstraat een beetje achteraf te liggen. Aanvankelijk bleef de clientèle de straat trouw, maar je moest er steeds speciaal naar toe om iets te kopen, terwijl je daar in de Leidse- en de Kalverstraat zo langs liep. Het grootwinkelbedrijf is dan ook geheel aan de Warmoesstraat voorbij gegaan. In 1912 verloor de straat het laatste - en meest gerenommeerde - stuk bij de Dam. Daar ging weer een rij huizen aan de waterzijde tegen de vlakte, nu om plein te vergroten. Vier panden die zo aan de Dam kwamen te liggen, werden nog eens gesloopt voor een reusachtig gebouw dat Anton Polman hier neerzette, met winkels op de begane grond, op de verdieping een restaurant en zalen, en daarboven kantoren. Na de oorlog is dit bij Krasnapolsky getrokken, daar kwam de ingang van het hotel.
Toen was een groot deel van de binnenstad, inclusief de Warmoesstraat, erg in verval geraakt. Vanuit Zuid kwam je eigenlijk nooit in de Warmoesstraat, en winkelen deed je er al helemaal niet; in 1964 zaten er nog maar 10 winkels. Het noordelijke stuk bij de Zeedijk was toen een levendige havenbuurt, met - zoals in iedere havenstad - kroegen en bordelen voor de zeelieden die zich hier, als hun schip was afgemeerd, kwamen vermaken. Ze waren in hun karakteristieke marineblauwe matrozenpakjes met vierkante, afgebiesde kraag, altijd duidelijk te herkennen. Het trof de Belgische zanger Jaques Brel, die hier één avond met zijn vertaler was wezen stappen, en de sfeer daarna meesterlijk beschreef in zijn lied Dans le port d'Amsterdam. Ook voor buitenlandse toeristen, voor wie de stad in de zomer altijd feeëriek verlicht werd, was dit een must. Maar de criminaliteit was er berucht, al had dat toen nog niet zo'n grimmige vorm als later. Rechercheur Baantjer van het politiebureau op nr 44-48 heeft dat mooi beschreven in een hele reeks boeken. Hij kende "zijn" criminelen, ze groetten elkaar wel als ze elkaar op straat passeerden. Sinds de grachtengordel in 2010 op de werelderfgoedlijst staat, kampt de buurt echter met overtoerisme, en de daarbijbehorende voorzieningen zoals winkels. De tegenstelling van het goedkope, platte assortiment met de historische Warmoesstraat kan niet groter zijn. Maar het nieuwtje is daar na enkele jaren alweer een beetje af, en in de toekomst zal er wel weer iets anders voor in de plaats komen. De veerkracht van de stad, met z'n rijke historie, is niet voor één gat te vangen. Dat moeten we echter nog even afwachten.
